De kat. Sociaal of asociaal?

Vaak hoor ik dat katten geen sociale dieren zijn. Niets is minder waar. Katten zijn zeer sociale dieren.

 

EEN KAT IS GEEN HOND

Vaak worden katten hetzelfde behandeld als honden. Maar een kat is geen hond! Honden zijn roedeldieren en gehoorzamen de leider van de roedel.

Katten zijn daarentegen solitaire jagers. In het wild kunnen katten het zich niet veroorloven gewond te raken. Gewond zijn betekent niet kunnen jagen en dus geen eten. Vandaar dat katten hun territorium markeren (kopjes geven, sproeien). Ze geven hierbij feromonen af. Andere katten halen dan weer informatie uit die feromonen: hoelang is het geleden dat de andere kat hier was; is het een kater of poes; etc. Op deze manier zetten ze een spoor uit om andere katten van informatie te voorzien en hun territorium af te bakenen, zonder elkaar tegen te hoeven komen. Want een confrontatie, daar kunnen ze niet mee te doen hebben. Een gewonde kat kan namelijk niet jagen. Daarom vluchten katten liever dan dat ze vechten. Ze zullen vaak alleen vechten als ze in het nauw gedreven worden en zich bedreigd voelen. 

Deze instincten zijn uiteraard ook aanwezig in onze huiskat.

INTERACTIE

Niet iedere kat is een schootkat. Niet iedere kat wil opgetild en rondgedragen worden. Het optillen en ronddragen is ook geen natuurlijk iets voor een kat. Heeft u wel eens een kat een andere kat op zien tillen?

Maar als een kat geen schootkat is wil dat nog niet zeggen dat de kat niet sociaal is. Katten vinden het heerlijk om bij mensen in de buurt te zijn. In dezelfde ruimte, op een eigen plekje. Het probleem tussen mens en kat is dat de verwachtingen verschillen ten aanzien van interactie momenten.

Een kat wil graag heel vaak per dag aandacht, maar met een lage intensiteit. Dus aan komen lopen, kopjes geven, even gekroeld worden. En dan weer verder. Wij mensen, met ons drukke leven, geven onze katten maar enkele keren per dag aandacht, maar die aandacht is dan wel heel intens. Precies het tegenovergestelde.

Zie een uiteenzetting hieronder.

Lage intensiteit
  • In dezelfde ruimte aanwezig zijn als de kat
  • Groeten van de kat
  • Naast de kat zitten
  • Spelen met de kat, gebruik makend van interactief speelgoed
  • Het (continue) praten met de kat
  • Kat op schoot (niet aaien)
  • Aaien en kroelen
  • Het verzorgen van de vacht (voor je plezier)
  • Het verzorgen van de vacht (onderhouden)
Hoge intensiteit
  • Oppakken en vasthouden van de kat